-
Bodde
: Bod, Bodde ook Borre = een slee met een bak er op , getrokken door een paard, om lasten te
vervoeren, kinderen naar school te brengen bij slecht weer, mest te rijden etc. Op een omgekeerde bod werden de varkens geslacht. Bodjn= mit bod
voarn.
-
Borsem kleden
: wellicht : Bozzem = schoorsteenmantel. Bozzemklaid, kleedje van blauwbont katoen, dat van de rand van de schoorsteenmantel neerhangt
-
Bret
= plank
-
Degelpan
= Koperen pan met ijzeren handvat en pootjes.
-
Dobbelier (
Botterdose met een dobbelier): wellicht dobbelaier: diep schoteltje,
bij ouden van dagen
(let wel: begin 20e eeuw)
nog bekend als kleine stenen kommetjes om er aardappels in te stippen (dopen)
-
Dussel =
kapwerktuig
-
Heukelingh, Heukel =
Hokkeling (jong kalf)
-
Kaare
: Kaar, Kare = kar. Vrouger gong ’t apmoal mit koarn
(kruikarren).
-
Kijpe
= Kiepe, mand, op de rug gedragen
of ook een getralied langwerpige bak met 4 armen, waarmee twee personenhooi klaver etc aandragen
-
Kroene
(wielen met haspel, trilwiel met Kroene) : wellicht Kroon: = toestel, dat bij ’t spinnewiel behoorde, waarop het garen gewonden werd. De kroon draaide om een loodrechte spil, in tegenstelling met de haspel, die een horizontale as had.
-
Krouwel =
Mestvork met 3 of 4 tanden (Bron: Groninger Volksalmanak 1929, pg. 167)
-
Loijke
: wellicht Looike? = Loaike = Belslee
-
Mantelstok met een bakje
: ?Kapstok? wellicht ook verwijst dit naar Bozzem: ’t Bozzemstok: schilderij voor de schoorsteen.
-
Molden
: Wellicht Mol(le) = langwerpige vlakke houten bak, waarin de boter gezouten en gezuiverd wordt, bottermol.
-
Motte
= Mot, Modde, = zeug. Mot het bign. Hai het ’t zo drok as n mot mit ain big. Hij maakt veel drukte en voert niets uit.
-
Peul
(e) = peluw (langwerpig stijf onderkussen).
Twij geleuvn op ain peul, is ain te veul: waarschuwing tegen gemengde huwelijken (vergelijk
Ned.: Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen).
-
Pothalen:
haardijzers om potten aan te hangen
-
ulterum
: in NGW ’t Pultrom, nevenvorm van puntrom, in Ww is pultrum de enige vorm, De Punter. = 1. Kast met onder drie laden, daarboven een ruimte, afgesloten door een schuin deksel (lid). De smalle boven vlakte is omgeven door een laag hekje. 2.
Het ouderwetse meubel met een houten stoel er in voor de meester. In 1824 uit school gebannen. (Bijdragen 1901, 380)
-
Rabat
: ’t bovengedeelte van de gordijnen (van het bed, van een venster, tussen kamer en suite)
-
Spintje
: Wellicht Spind : Kastje onder vensterbank, klein kastje
-
Telder
= Schotel
-
Telderrik
= Rek voor schotels
-
Tijn
: Melktien = het vat waarin de melk staat te romen, vaatje
-
Treeft
= drievoet
-
Waskebalie
: Waskeboalie = Wastobbe.
Baalje = Houten wasvat (Bron: Groninger Volksalmanak 1929, pg. 169).