|
|
De bevolking van ons land in 1911 |
|
Albert Hansma (1874-1940) noteerde in 1912 onderstaande gegevens
in een schriftje. Het Centraal Bureau voor de Statistiek deelt in de
“Staatsct” het bevolkingscijfer van het Rijk mede, op 1 januari 1912. Er
blijkt uit, dat in de verschillende provinciën op genoemden datum woonden: |
|
Provinciën |
Mannen |
Vrouwen |
Totaal |
|
N.Brabant |
319.258 |
320.249 |
639.507 |
|
Gelderland |
330.056 |
324.263 |
654.319 |
|
Z. Holland |
703.394 |
740.473 |
1.443.867 |
|
N. Holland |
552.548 |
585.873 |
1.138.421 |
|
Zeeland |
116.921 |
118.086 |
235.007 |
|
Utrecht |
144.414 |
150.516 |
294.930 |
|
Friesland |
183.160 |
181.255 |
364.415 |
|
Overijsel |
198.507 |
193.234 |
391.741 |
|
Groningen |
165.110 |
168.107 |
333.217 |
|
Drente |
92.371 |
86.190 |
178.561 |
|
Limburg |
177.659 |
170.808 |
348.467 |
|
Totaal |
2.983.398 |
3.039.054 |
6.022.452 |
Uit een tabel blijkt, dat de bevolking in 1911 is toegenomen met
76.927 inwoners of 12.93 per mille. Voor de gemeenten met een bevolking van meer
dan 100.000 inwoners bedroeg die toename 18.04 per mille; voor de gemeenten met
een bevolking van 50.001-100.000, van 20.001 – 50.000, van 5.001 – 20.000 en
voor die van 5.000 en minder inwoners, respectievelijk 13.29, 11.09, 13.09 en
9.31 per mille.
Het aantal geborenen bedroeg 27.83 op 1.000 inwoners der
gemiddelde bevolking voor het Rijk; voor de bovengenoemde groepen van gemeenten,
resp. 25.14, 24.76, 27.77, 29.28 en 29.25.
Het aantal overledenen bedroeg in diezelfde volgorde, 14.50,
12.21, 13.24, 13.71, 15.23 en 16.15 op 1000 inwoners. De toeneming door meer
geboorte dan sterfte was 79.745 zielen of 13.41 per duizend inwoners der
aanvangsbevolking op 1 januari 1911. Door meerder vertrek dan vestiging nam de
bevolking in totaal af met 2818 of 0.47 per duizend.
De gemeenten met een bevolking van meer dan 100.000 inwoners en
die met een bevolking van 50.000 – 100.000 inwoners vermeerderden door meer
vestiging, resp. met 4.99 en 1.99 per 1.000.
De overige groepen van gemeenten verminderden door meer vertrek resp. met 3.04,
1.05 en 3.85 per 1.000.
De gemeenten Zwolle, Den Helder, ’s Hertogenbosch en Breda wijzen, in meerdere of in mindere mate, op afneming der bevolking. Verder bedroeg het aantal levenloos aangegeven kinderen in 1911: 3.656 van het mannelijk geslacht en 2.982 van het vrouwelijk geslacht. Op 1.000 geboren kwamen in het Rijk 38.84 levenloos aangegevenen voor.
Bovenstaande is een integrale transcriptie van de tekst van Albert Hansma.